Groter geluk voor een groter aantal. Kan dat in Nederland?

door: Ruut Veenhoven

14 juni 2016

Wat is de taak van de overheid?i Volgens Jeremy Bentham (1789) uiteindelijk om groter geluk voor een groter aantal burgers te bewerkstelligen. Hij vatte geluk daarbij op als individuele levensvoldoening: in zijn woorden als ‘the sum of pleasures and pains’. In zijn tijd kon geluk nog niet gemeten worden en viel dus moeilijk te bepalen hoe realistisch die aanbeveling is. Nu kunnen we dat wel; geluk blijkt eenvoudig te kunnen worden gemeten door mensen te vragen hoeveel voldoening ze scheppen in hun leven als geheel. (Veenhoven, 1998)

De meeste Nederlanders zijn gelukkig. Dat blijkt uit de rapportcijfers die ze geven in antwoord op de vraag 'Alles bij elkaar genomen, hoe tevreden bent u tegenwoordig met uw leven als geheel?'. Zie figuur 1. Ruim 75% waardeert het eigen leven met een 8 of hoger en slechts 6% scoort 5 of lager. Dit positieve beeld wordt bevestigd in onderzoek dat andere vragen gebruikt. Het gemiddelde rapportcijfer is 7,9 en dat is hoog in vergelijking met andere landen waar dezelfde vraag gesteld is. In Tanzania is het gemiddelde slechts 2,5. (Veenhoven, 2016)
 

Blind nieuwsartikel IIS figuur 1

Figuur 1. Geluk in Nederland Antwoorden op de vraag: Alles bij elkaar genomen, hoe tevreden bent u tegenwoordig met uw leven als geheel? Bron: European Social Survey 2014

Groter geluk mogelijk?

Kan de overheid hier nog iets aan verbeteren? Verschillende wetenschappers denken van niet. Er zijn psychologen die menen dat geluk goeddeels aangeboren is of duurzaam verankerd in de persoonlijkheid en dat een betere samenleving dus niet zal resulteren in gelukkiger mensen. Sommige sociologen komen tot dezelfde conclusie, omdat ze geloven dat geluk een kwestie van vergelijking is en dat vergelijkingsstandaarden zich steeds aanpassen. In dat verband worden de Verenigde Staten vaak aangehaald als voorbeeld: in dat land is de materiële welvaart verdubbeld sinds de Tweede Wereldoorlog, maar zou het gemiddelde geluk gelijk gebleven zijn.

Die geleerden hebben het echter mis. Ten eerste blijkt het gemiddelde geluk van burgers in een land sterk afhankelijk van de kwaliteit van de samenleving, denk aan het bovengenoemde geval van Tanzania met een gemiddelde van 2,5. Ten tweede is het gemiddelde geluk in landen niet onveranderlijk, althans niet in alle landen. In figuur 2 zien we een gestage toename van het gemiddelde geluk in Denemarken gedurende de laatste 40 jaar. In verschillende landen heeft zich een dramatische daling van het gemiddelde geluk voorgedaan; in Rusland na de Roebelcrisis midden jaren 1990 en in Griekenland na de economische recessie van 2010.

Figuur 2 biedt ook een direct antwoord op de vraag of groter geluk mogelijk is in Nederland. Denemarken scoort met een gemiddelde van 8,4 hoger dan de 7,91 in Nederland en het gemiddelde geluk ligt ook hoger in de Scandinavische landen en in Canada. Wat in die landen kan moet ook kunnen in Nederland. Denk niet dat dit een kwestie van onveranderbaar volkskarakter is, want in figuur 2 kan men zien dat het gemiddelde geluk is gestegen in Denemarken. Een dergelijke stijging heeft zich ook voorgedaan in tal van andere landen. (Veenhoven, 2014) Groter geluk voor een groter aantal Nederlanders is dus kennelijk mogelijk, maar hoe bereik je dat?

Blind nieuwsartiekel IIS figuur 2

Figuur 2. Trend geluk in Denemarken en Nederland

Hoe kan Nederland gelukkiger worden?

Ik zie mogelijkheden op drie niveaus: op het micro-niveau van individuen, op het meso-niveau van instellingen en op het macro-niveau van de samenleving.

Op het individuele niveau kan geluk bevorderd worden door levensvaardigheid te versterken. In dat verband is het goed te bedenken dat de verschillen in geluk binnen moderne landen als Nederland voornamelijk bepaald worden door psychologische factoren. Een deel van die individuele verschillen is erfelijk bepaald of om andere redenen moeilijk veranderbaar. Er zijn echter ook vaardigheden die versterkt kunnen worden door training, onder meer door trainingen in levenskunst in de lijn van de opkomende 'positieve psychologie'. Als die sector werkzame interventies ontwikkelt, zullen mensen bereid zijn daarvoor te betalen. Momenteel is er al een groeiend aanbod van trainingen, maar er nog veel onduidelijkheid over de effectiviteit daarvan. De overheid kan een handje helpen om het kaf van het koren te scheiden, net zoals dat met medicijnen gebeurt.

Gepubliceerd door  Instituut voor Interdisciplinaire Studies