Boeksignalement: Why mind matters- on being human

Door Ger Post

11 januari 2017

Dit boek dient gelezen te worden in de avond en met een glas wijn binnen handbereik. Dat is de ontspannen setting die Jerome Kagan voor ogen heeft voor zijn lezer. Een van de grootste psychologen van de vorige eeuw (in sommige lijstjes staat hij zelfs boven Carl Jung) heeft zichzelf ook wat meer vrijheden veroorloofd bij het schrijven van het boek: voor het eerst in 52 jaar verantwoordt hij zijn conclusies niet met bronverwijzingen en voetnoten. Het resulteert in twaalf boeiende essays waarin uiteenlopende onderwerpen als onderwijs, settings, genen, gevoelens, verwachtingen en moraliteit de revue passeren.

Specifieke observaties

Een van de grote thema’s in de essays is het belang van context, want die is volgens Kagan de laatste tijd in een verdomhoekje belandt. Dat zit hem al in de manier waarop we in de Westerse wereld gewend zijn geraakt aan het gebruiken van abstracte woorden om processen te beschrijven die onafhankelijk van hun context zijn. De uitspraak ‘Ik ben gestrest’ heeft bijvoorbeeld zinnen verdreven die de oorzaak van een gevoel specificeren, zoals ‘Ik maak me zorgen over mijn zieke kind’ of ‘Ik ben boos op mijn ontrouwe man’.

In de wetenschap belemmert de neiging naar abstracte verklaringen te grijpen zelfs vooruitgang. Kagan schrijft over economen, psychologen en neurowetenschappers die op zoek zijn naar mathematische wetmatigheden in hun onderzoeken, maar daarbij andere factoren vergeten. John O’Keefe en zijn collega’s kregen bijvoorbeeld twee jaar geleden de Nobelprijs voor hun ontdekking dat neuronen in de hippocampus volgens een specifiek patroon vuren als een rat in een bepaald deel van een ruimte is. De onderzoekers concludeerden dat de neuronen blijkbaar een ruimtelijke locatie van de rat registreerden. Maar, zo betoogt Kagan, de verklaring dat deze neuronen een patroon van visuele, tactiele en reukkenmerken registreren op die plekken is net zo redelijk (misschien wel redelijker), omdat elke plek een uniek zintuiglijk patroon had. Als de rat op zijn achterpoten ging staan en omhoog keek, veranderde de neurale activiteit terwijl hij op dezelfde plek bleef. ‘De betekenis van elk concept ligt besloten in de specifieke weg van observaties en aannames.’

Mind the gap

Een ander groot thema is de verhevenheid van genetische en neurologische verklaringen boven ideeën uit de sociale wetenschappen, zoals het idee ‘We zijn ons brein’ suggereert dat alle antwoorden onder de schedel te vinden zijn. Onderzoek naar gedachten komt hiermee in de verdrukking. Kagan bevraagt de aannames dat iemand een hulpeloos slachtoffer is van zijn biologie en dat mensen vooral uit eigenbelang handelen (om de genen te doen overleven). Hij doet juist een warm pleidooi voor het belang van het onderzoeken van gedachtes.

Daarmee is hij niet zozeer aan het verbinden en integreren van inzichten, maar maakt hij meer ruimte voor andere inzichten vanuit de sociale wetenschappen. Opvallend is bijvoorbeeld dat hij pleit voor twee verschillende vocabulaires, een voor neurowetenschappers en een voor psychologen. Het gaat volgens Kagan vaak mis wanneer die vocabulaires door elkaar worden gehaald. Een neuron kan geen reactie ‘selecteren’, zoals veel neurowetenschappers schrijven, omdat dit een bewuste afweging van alternatieven impliceert die is voorbehouden aan dieren en mensen. ‘Toekomstige onderzoekers moeten een vocabulaire uitvinden die geschikt is voor wat er gebeurt in neuronen en circuits wanneer een persoon zich bezighoudt met een psychologisch proces.’ De mind-brain gap zal volgens de psycholoog dan ook nooit helemaal gedicht worden, net zoals het woord ‘snijden’ nooit ingewisseld kan worden voor een beschrijving van de atomen van een mes.

Blijven nuanceren

Behalve dat Kagan’s boek een correctie is op de praktijken van sommige wetenschappers en journalisten die gedachtes, gevoelens en settings een marginale significantie toebedelen, leest het vooral als een pleidooi om complexe problemen op eerlijke wijze tegemoet te treden. Waarbij biologen en neurowetenschappers vooral moeten oppassen geen inzichten uit sociale wetenschappen weg te drukken met theorieën die ergens anders over gaan, psychologen hun neiging moeten onderdrukken om een enkele oorzaak (bijvoorbeeld eenzaamheid) te zoeken voor een complex fenomeen als depressie en economen voorbij hun hang naar wetmatigheden moeten gaan.  

Ger Post studeerde journalistiek en cognitieve neurowetenschappen en is nu docent Brain and Cognitive sciences aan de Universiteit van Amsterdam. Recentelijk verscheen zijn boek ‘Stalen Zenuwen’ (Maven Publishing) over hoe topsporters presteren onder druk (en wat wij daarvan kunnen leren)

Gepubliceerd door  Instituut voor Interdisciplinaire Studies